smoren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of smoren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: smoren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: smorend
Past participle - Verleden deelwoord: gesmoord

Cognates

See the 2 cognates of smoren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmoor
jijsmoort
hijsmoort
wijsmoren
julliesmoren
zijsmoren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesmoord
jijhebt gesmoord
hijheeft gesmoord
wijhebben gesmoord
julliehebben gesmoord
zijhebben gesmoord

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmoorde
jijsmoorde
hijsmoorde
wijsmoorden
julliesmoorden
zijsmoorden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesmoord
jijhad gesmoord
hijhad gesmoord
wijhadden gesmoord
julliehadden gesmoord
zijhadden gesmoord

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal smoren
jijzult smoren
hijzal smoren
wijzullen smoren
julliezullen smoren
zijzullen smoren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesmoord hebben
jijzult gesmoord hebben
hijzal gesmoord hebben
wijzullen gesmoord hebben
julliezullen gesmoord hebben
zijzullen gesmoord hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou smoren
jijzou smoren
hijzou smoren
wijzouden smoren
julliezouden smoren
zijzouden smoren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesmoord hebben
jijzou gesmoord hebben
hijzou gesmoord hebben
wijzouden gesmoord hebben
julliezouden gesmoord hebben
zijzouden gesmoord hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmoor

Translations

  • braise, To cook in a small amount of liquid
  • quash, to defeat forcibly
  • squelch, to halt, stop, eliminate
  • stew, to cook (food)
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    doodlopen
    stranden
    braiseren
    koken, sudderen
    onderdrukken
    verstikken, wurgen

    Sample Sentences

    • Mijn vriend, de zoon van den kapitein, die mij vroeger geholpen had de vermaningen van mijn geweten te smoren, was thans schroomvalliger dan ik. Daar wij ieder aan het ander einde der stad onder dak gekomen waren, was ik reeds twee of drie dagen te Yarmouth, alvorens ik hem ontmoette. Met eene geheel andere [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] geslagen. Ik begreep, gelijk zeer waarschijnlijk was, dat toen het schip in den storm vastraakte, de zee zoo hoog liep en er zoo hevig in gekomen was, dat deze arme lieden er door verdronken of gesmoord waren, zoo goed als of zij onder water hadden gelegen. Behalve den hond was er geen levend schepsel aan boord, en voor zoo verre ik zien kon, geene goederen, die niet door het water bedorven waren. [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch smoren, from Proto-Germanic *smurōną (“to suffocate, strangle”), probably related to *smallijan (“to burn”) or Old English smoca (“smoke”).

    Verbs referencing "smoren"

    English smother, German, old spelling schmoren, German, Pennsylvania schmore.

    Additional Information