Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: smoren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: smorend
Past participle - Verleden deelwoord: gesmoord
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | smoor |
| jij | smoort |
| hij | smoort |
| wij | smoren |
| jullie | smoren |
| zij | smoren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gesmoord |
| jij | hebt gesmoord |
| hij | heeft gesmoord |
| wij | hebben gesmoord |
| jullie | hebben gesmoord |
| zij | hebben gesmoord |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | smoorde |
| jij | smoorde |
| hij | smoorde |
| wij | smoorden |
| jullie | smoorden |
| zij | smoorden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gesmoord |
| jij | had gesmoord |
| hij | had gesmoord |
| wij | hadden gesmoord |
| jullie | hadden gesmoord |
| zij | hadden gesmoord |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal smoren |
| jij | zult smoren |
| hij | zal smoren |
| wij | zullen smoren |
| jullie | zullen smoren |
| zij | zullen smoren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gesmoord hebben |
| jij | zult gesmoord hebben |
| hij | zal gesmoord hebben |
| wij | zullen gesmoord hebben |
| jullie | zullen gesmoord hebben |
| zij | zullen gesmoord hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou smoren |
| jij | zou smoren |
| hij | zou smoren |
| wij | zouden smoren |
| jullie | zouden smoren |
| zij | zouden smoren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gesmoord hebben |
| jij | zou gesmoord hebben |
| hij | zou gesmoord hebben |
| wij | zouden gesmoord hebben |
| jullie | zouden gesmoord hebben |
| zij | zouden gesmoord hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'smoren'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'smoren'
smeren,
storen,
horen,
meren,
moeren,
mogen,
sieren,
smaden,
smaken,
smeden,
Translations
braise, To cook in a small amount of liquid
quash, to defeat forcibly
squelch, to halt, stop, eliminate
stew, to cook (food)
Sample Sentences
-
Mijn vriend, de zoon van den kapitein, die mij vroeger geholpen had de vermaningen van mijn geweten te smoren, was thans schroomvalliger dan ik. Daar wij ieder aan het ander einde der stad onder dak gekomen waren, was ik reeds twee of drie dagen te Yarmouth, alvorens ik hem ontmoette. Met eene geheel andere [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] geslagen. Ik begreep, gelijk zeer waarschijnlijk was, dat toen het schip in den storm vastraakte, de zee zoo hoog liep en er zoo hevig in gekomen was, dat deze arme lieden er door verdronken of gesmoord waren, zoo goed als of zij onder water hadden gelegen. Behalve den hond was er geen levend schepsel aan boord, en voor zoo verre ik zien kon, geene goederen, die niet door het water bedorven waren. [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch smoren, from Proto-Germanic *smurōną (“to suffocate, strangle”), probably related to *smallijan (“to burn”) or Old English smoca (“smoke”).
Verbs referencing "smoren"
English
smother, German, old spelling
schmoren, German, Pennsylvania
schmore.
Additional Information