sudderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sudderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sudderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sudderend
Past participle - Verleden deelwoord: gesudderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksudder
jijsuddert
hijsuddert
wijsudderen
julliesudderen
zijsudderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesudderd
jijhebt gesudderd
hijheeft gesudderd
wijhebben gesudderd
julliehebben gesudderd
zijhebben gesudderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksudderde
jijsudderde
hijsudderde
wijsudderden
julliesudderden
zijsudderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesudderd
jijhad gesudderd
hijhad gesudderd
wijhadden gesudderd
julliehadden gesudderd
zijhadden gesudderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sudderen
jijzult sudderen
hijzal sudderen
wijzullen sudderen
julliezullen sudderen
zijzullen sudderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesudderd hebben
jijzult gesudderd hebben
hijzal gesudderd hebben
wijzullen gesudderd hebben
julliezullen gesudderd hebben
zijzullen gesudderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sudderen
jijzou sudderen
hijzou sudderen
wijzouden sudderen
julliezouden sudderen
zijzouden sudderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesudderd hebben
jijzou gesudderd hebben
hijzou gesudderd hebben
wijzouden gesudderd hebben
julliezouden gesudderd hebben
zijzouden gesudderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsudder

Translations

  • simmer, (intransitive) to cook or undergo heating slowly
  • simmer, (transitive) to cause to cook or undergo heating slowly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Unknown. Apparently related to Low German suddern (“to simmer”), German suttern (“to simmer”). Related also to Middle Dutch sode, soot, zode (“boiling, seething”) and Dutch zieden (“to seethe, boil”). See: Low Saxon 'suddern', German, old spelling 'suttern', Dutch 'zieden'.

    Verbs referencing "sudderen"

    Dutch zeuren.

    Additional Information