smaden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of smaden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: smaden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: smadend
Past participle - Verleden deelwoord: gesmaad

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmaad
jijsmaadt
hijsmaadt
wijsmaden
julliesmaden
zijsmaden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesmaad
jijhebt gesmaad
hijheeft gesmaad
wijhebben gesmaad
julliehebben gesmaad
zijhebben gesmaad

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmaadde
jijsmaadde
hijsmaadde
wijsmaadden
julliesmaadden
zijsmaadden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesmaad
jijhad gesmaad
hijhad gesmaad
wijhadden gesmaad
julliehadden gesmaad
zijhadden gesmaad

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal smaden
jijzult smaden
hijzal smaden
wijzullen smaden
julliezullen smaden
zijzullen smaden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesmaad hebben
jijzult gesmaad hebben
hijzal gesmaad hebben
wijzullen gesmaad hebben
julliezullen gesmaad hebben
zijzullen gesmaad hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou smaden
jijzou smaden
hijzou smaden
wijzouden smaden
julliezouden smaden
zijzouden smaden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesmaad hebben
jijzou gesmaad hebben
hijzou gesmaad hebben
wijzouden gesmaad hebben
julliezouden gesmaad hebben
zijzouden gesmaad hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmaad

Verbs conjugated like 'smaden'

baden, doden, schaden, smaden,

Verbs similar to 'smaden'

smaken, smeden, baden, braden, laden, maken, malen, raden, schaden, slagen,

Translations

  • slander, utter a slanderous statement about
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    honen
    beledigen, bespotten

    Sample Sentences

    Etymology

    From smaad (“slandering”) + -en.

    Additional Information