Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: huilen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: huilend
Past participle - Verleden deelwoord: gehuild
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | huil |
| jij | huilt |
| hij | huilt |
| wij | huilen |
| jullie | huilen |
| zij | huilen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gehuild |
| jij | hebt gehuild |
| hij | heeft gehuild |
| wij | hebben gehuild |
| jullie | hebben gehuild |
| zij | hebben gehuild |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | huilde |
| jij | huilde |
| hij | huilde |
| wij | huilden |
| jullie | huilden |
| zij | huilden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gehuild |
| jij | had gehuild |
| hij | had gehuild |
| wij | hadden gehuild |
| jullie | hadden gehuild |
| zij | hadden gehuild |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal huilen |
| jij | zult huilen |
| hij | zal huilen |
| wij | zullen huilen |
| jullie | zullen huilen |
| zij | zullen huilen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gehuild hebben |
| jij | zult gehuild hebben |
| hij | zal gehuild hebben |
| wij | zullen gehuild hebben |
| jullie | zullen gehuild hebben |
| zij | zullen gehuild hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou huilen |
| jij | zou huilen |
| hij | zou huilen |
| wij | zouden huilen |
| jullie | zouden huilen |
| zij | zouden huilen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gehuild hebben |
| jij | zou gehuild hebben |
| hij | zou gehuild hebben |
| wij | zouden gehuild hebben |
| jullie | zouden gehuild hebben |
| zij | zouden gehuild hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'huilen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'huilen'
hullen,
kuilen,
ruilen,
afhuilen,
buigen,
druilen,
duiden,
duiken,
feilen,
fuiven,
Translations
cry, intransitive: to weep
weep, to cry, shed tears
howl, to utter a sound expressive of pain or distress
Sample Sentences
-
Wij waren nog niet halverwege de vlakte door, toen wij in het bosch aan de linkerzijde van ons, de wolven allerverschrikkelijkst hoorden huilen; en kort daarop zagen wij een troep van wel honderd regt op ons aankomen, zoo geregeld als een troep soldaten. Ik wist niet hoe hen best te ontvangen, maar begreep, dat wij allen een digtgesloten [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] er nog meer nedergeveld hebben. Na dus ruim baan gemaakt te hebben, trokken wij weder vooruit, want wij hadden nog ongeveer een uur gaans voor ons. Onderweg hoorden wij de hongerige beesten gestadig huilen, en verbeeldden ons somtijds ze te zien, doch konden dit niet zeker zeggen, daar onze oogen van de schittering der sneeuw verblind waren. Een uur later kwamen wij in het dorp, waar wij ons [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] waren, veilig hebben kunnen aftrekken, vooral met onze vuurwapens en in zoo groot getal zijnde. Wat mij betreft, ik heb nimmer grooter gevaar onder de oogen gezien, want toen ik driehonderd duivels huilende en met open muil op ons zag afkomen en geenerlei beschutting of veiligen aftogt voor ons zag, hield ik mij voor verloren, en liever dan weder het gebergte over te trekken, zou ik duizend mijlen ter [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch hulen, from Old Dutch *huwilon, *hūlon, from Proto-West Germanic *hūilōn. See: Middle Dutch '
hulen', Old Dutch '*huwilon'.
Verbs referencing "huilen"
English
howl, Luxembourgish
haulen, Alemannic German
hüüwle.
Additional Information