roeien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of roeien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: roeien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: roeiend
Past participle - Verleden deelwoord: geroeid

Cognates

See the 3 cognates of roeien

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikroei
jijroeit
hijroeit
wijroeien
jullieroeien
zijroeien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geroeid
jijhebt geroeid
hijheeft geroeid
wijhebben geroeid
julliehebben geroeid
zijhebben geroeid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikroeide
jijroeide
hijroeide
wijroeiden
jullieroeiden
zijroeiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geroeid
jijhad geroeid
hijhad geroeid
wijhadden geroeid
julliehadden geroeid
zijhadden geroeid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal roeien
jijzult roeien
hijzal roeien
wijzullen roeien
julliezullen roeien
zijzullen roeien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geroeid hebben
jijzult geroeid hebben
hijzal geroeid hebben
wijzullen geroeid hebben
julliezullen geroeid hebben
zijzullen geroeid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou roeien
jijzou roeien
hijzou roeien
wijzouden roeien
julliezouden roeien
zijzouden roeien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geroeid hebben
jijzou geroeid hebben
hijzou geroeid hebben
wijzouden geroeid hebben
julliezouden geroeid hebben
zijzouden geroeid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijroei

Translations

  • row, transitive:to propel over water using oars
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    peddelen
    kanoën
    varen
    kanoën, navigeren, zeilen

    Sample Sentences

    • [...] ons eene boot toe te zenden. Met het grootste gevaar naderde deze ons, maar het was ons onmogelijk er in te gaan, en voor de boot, bij ons op zijde te komen liggen; tot eindelijk het volk zoo hard roeide, dat zij met levensgevaar ons zoo nabij kwamen, dat wij een touw, met een boei er op gestoken, hun konden toewerpen; na veel moeite en gevaar maakten zij het vast, en wij haalden hen digt achter ons [...] (Robinson Crusoe)
    • Op een morgen waren wij bij stil weder met hem uit visschen, toen er plotseling zulk een dikke mist opkwam, dat wij de kust uit het oog verloren, schoon wij er geene halve mijl van af waren. Wij roeiden dus den geheelen dag en nacht, zonder te weten waarheen, en toen de zon opkwam zagen wij, dat wij zeewaarts, in plaats van naar den wal, geroeid hadden, en er wel twee mijlen van af waren. [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] wij er geene halve mijl van af waren. Wij roeiden dus den geheelen dag en nacht, zonder te weten waarheen, en toen de zon opkwam zagen wij, dat wij zeewaarts, in plaats van naar den wal, geroeid hadden, en er wel twee mijlen van af waren. Wij kwamen behouden weder binnen, schoon niet zonder gevaar en met zwaar werken; en bovenal duchtig uitgehongerd. (Robinson Crusoe)
    • Zeil hadden wij niet, en hadden het toch ook niet kunnen gebruiken; dus roeiden wij naar het land, schoon met bezwaarde harten, als mannen, die hun doodvonnis te gemoet gingen, want wij allen wisten zeer goed, dat als wij digt bij het strand kwamen, de branding alsdan de boot [...] (Robinson Crusoe)
    • Ik zag, dat hij er zeer goed mede te regt kon, en ze bijkans zoo snel roeide als ik; toen hij er dus in was, zeide ik: " Wel, Vrijdag, willen wij nu naar uwe natie gaan ? " Hij scheen over dit gezegde zeer verslagen, naar het schijnt, omdat hij begreep, dat de boot daartoe [...] (Robinson Crusoe)
    • Die in de kanoe waren roeiden zoo hard zij konden om buiten ons schot te komen, en hoewel Vrijdag twee of drie schoten op hen deed, kon ik niet bespeuren, dat hij een hunner getroffen had. Vrijdag had wel gewild, dat ik een [...] (Robinson Crusoe)
    • De zeven matrozen stapten aan wal, en de drie, die in de boot bleven, roeiden haar op een goeden afstand van den wal af, en gingen daar voor anker liggen, om hen af te wachten, zoodat het ons onmogelijk was hen te bereiken. Degenen, die geland waren, bleven digt bijeen en [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch roeyen, from Old Dutch *ruoien, from Proto-Germanic *rōaną, from Proto-Indo-European *h₁reh₁-. See: Proto-Germanic '*rōaną'.

    Verbs referencing "roeien"

    English row.

    Additional Information