Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: roeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: roerend
Past participle - Verleden deelwoord: geroerd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | roer |
| jij | roert |
| hij | roert |
| wij | roeren |
| jullie | roeren |
| zij | roeren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geroerd |
| jij | hebt geroerd |
| hij | heeft geroerd |
| wij | hebben geroerd |
| jullie | hebben geroerd |
| zij | hebben geroerd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | roerde |
| jij | roerde |
| hij | roerde |
| wij | roerden |
| jullie | roerden |
| zij | roerden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geroerd |
| jij | had geroerd |
| hij | had geroerd |
| wij | hadden geroerd |
| jullie | hadden geroerd |
| zij | hadden geroerd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal roeren |
| jij | zult roeren |
| hij | zal roeren |
| wij | zullen roeren |
| jullie | zullen roeren |
| zij | zullen roeren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geroerd hebben |
| jij | zult geroerd hebben |
| hij | zal geroerd hebben |
| wij | zullen geroerd hebben |
| jullie | zullen geroerd hebben |
| zij | zullen geroerd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou roeren |
| jij | zou roeren |
| hij | zou roeren |
| wij | zouden roeren |
| jullie | zouden roeren |
| zij | zouden roeren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geroerd hebben |
| jij | zou geroerd hebben |
| hij | zou geroerd hebben |
| wij | zouden geroerd hebben |
| jullie | zouden geroerd hebben |
| zij | zouden geroerd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'roeren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'roeren'
boeren,
koeren,
loeren,
moeren,
poeren,
roderen,
roeien,
roepen,
rokeren,
roteren,
Translations
move, to cause to change place or posture; to set in motion
move, to arouse the feelings or passions of
touch, affect emotionally
Sample Sentences
-
[...] over mijne plantaadje en goederen, ingeval ik mogt komen te overlijden. Ik stelde tot mijn eenigsten erfgenaam den kapitein aan, die mij het leven gered had, onder verpligting van de helft mijner roerende goederen voor zich te houden, doch de andere helft naar Engeland te voeren.
(Robinson Crusoe)
-
Nadat dit gedaan was moest ik Vrijdag leeren hoe met de boot te zeilen, want schoon hij zeer goed eene kanoe wist te roeijen, begreep hij van zeil en roer niets en stond niet weinig verbaasd toen hij mij mijne boot bij den wind zag brengen, en weder afvallen, door behulp van mijn roer, en hoe het zeil over dezen of dien boeg vol stond, naarmate ik van [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch roeren, from Old Dutch ruoren, from Proto-West Germanic *hrōʀijan, from Proto-Germanic *hrōzijaną. See: Proto-Germanic '
*hrōzijaną'.
Verbs referencing "roeren"
German, old spelling
rühren, Luxembourgish
réieren, Alemannic German
rüere.
Additional Information