pionieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pionieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pionieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pionierend
Past participle - Verleden deelwoord: gepionierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpionier
jijpioniert
hijpioniert
wijpionieren
julliepionieren
zijpionieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepionierd
jijhebt gepionierd
hijheeft gepionierd
wijhebben gepionierd
julliehebben gepionierd
zijhebben gepionierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpionierde
jijpionierde
hijpionierde
wijpionierden
julliepionierden
zijpionierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepionierd
jijhad gepionierd
hijhad gepionierd
wijhadden gepionierd
julliehadden gepionierd
zijhadden gepionierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pionieren
jijzult pionieren
hijzal pionieren
wijzullen pionieren
julliezullen pionieren
zijzullen pionieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepionierd hebben
jijzult gepionierd hebben
hijzal gepionierd hebben
wijzullen gepionierd hebben
julliezullen gepionierd hebben
zijzullen gepionierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pionieren
jijzou pionieren
hijzou pionieren
wijzouden pionieren
julliezouden pionieren
zijzouden pionieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepionierd hebben
jijzou gepionierd hebben
hijzou gepionierd hebben
wijzouden gepionierd hebben
julliezouden gepionierd hebben
zijzouden gepionierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpionier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information