donderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of donderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: donderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: donderend
Past participle - Verleden deelwoord: gedonderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdonder
jijdondert
hijdondert
wijdonderen
julliedonderen
zijdonderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedonderd
jijhebt gedonderd
hijheeft gedonderd
wijhebben gedonderd
julliehebben gedonderd
zijhebben gedonderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdonderde
jijdonderde
hijdonderde
wijdonderden
julliedonderden
zijdonderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedonderd
jijhad gedonderd
hijhad gedonderd
wijhadden gedonderd
julliehadden gedonderd
zijhadden gedonderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal donderen
jijzult donderen
hijzal donderen
wijzullen donderen
julliezullen donderen
zijzullen donderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedonderd hebben
jijzult gedonderd hebben
hijzal gedonderd hebben
wijzullen gedonderd hebben
julliezullen gedonderd hebben
zijzullen gedonderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou donderen
jijzou donderen
hijzou donderen
wijzouden donderen
julliezouden donderen
zijzouden donderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedonderd hebben
jijzou gedonderd hebben
hijzou gedonderd hebben
wijzouden gedonderd hebben
julliezouden gedonderd hebben
zijzouden gedonderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdonder

Translations

  • boom, to make a loud, resonant sound
  • thunder, to make a noise like thunder
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    donderjagen
    zaniken, zeuren
    flikkeren
    gooien, smijten

    Sample Sentences

    • In de verte hoor ik het donderen. (I can hear it thunder in the distance.)
    • 'Hou daar nu mee op!', donderde de man. ('Stop that right now!', thundered the man.)
    • De leerling verloor zijn evenwicht en donderde achterover van zijn stoel. (The pupil lost his balance and tumbled backwards off his chair.)

    Etymology

    From Middle Dutch donren, donderen. Equivalent to donder + -en.

    Additional Information