poeieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of poeieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: poeieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: poeierend
Past participle - Verleden deelwoord: gepoeierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpoeier
jijpoeiert
hijpoeiert
wijpoeieren
julliepoeieren
zijpoeieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepoeierd
jijhebt gepoeierd
hijheeft gepoeierd
wijhebben gepoeierd
julliehebben gepoeierd
zijhebben gepoeierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpoeierde
jijpoeierde
hijpoeierde
wijpoeierden
julliepoeierden
zijpoeierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepoeierd
jijhad gepoeierd
hijhad gepoeierd
wijhadden gepoeierd
julliehadden gepoeierd
zijhadden gepoeierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal poeieren
jijzult poeieren
hijzal poeieren
wijzullen poeieren
julliezullen poeieren
zijzullen poeieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepoeierd hebben
jijzult gepoeierd hebben
hijzal gepoeierd hebben
wijzullen gepoeierd hebben
julliezullen gepoeierd hebben
zijzullen gepoeierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou poeieren
jijzou poeieren
hijzou poeieren
wijzouden poeieren
julliezouden poeieren
zijzouden poeieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepoeierd hebben
jijzou gepoeierd hebben
hijzou gepoeierd hebben
wijzouden gepoeierd hebben
julliezouden gepoeierd hebben
zijzouden gepoeierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpoeier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information