ioniseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ioniseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ioniseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ioniserend
Past participle - Verleden deelwoord: geïoniseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikioniseer
jijioniseert
hijioniseert
wijioniseren
jullieioniseren
zijioniseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïoniseerd
jijhebt geïoniseerd
hijheeft geïoniseerd
wijhebben geïoniseerd
julliehebben geïoniseerd
zijhebben geïoniseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikioniseerde
jijioniseerde
hijioniseerde
wijioniseerden
jullieioniseerden
zijioniseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïoniseerd
jijhad geïoniseerd
hijhad geïoniseerd
wijhadden geïoniseerd
julliehadden geïoniseerd
zijhadden geïoniseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ioniseren
jijzult ioniseren
hijzal ioniseren
wijzullen ioniseren
julliezullen ioniseren
zijzullen ioniseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïoniseerd hebben
jijzult geïoniseerd hebben
hijzal geïoniseerd hebben
wijzullen geïoniseerd hebben
julliezullen geïoniseerd hebben
zijzullen geïoniseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ioniseren
jijzou ioniseren
hijzou ioniseren
wijzouden ioniseren
julliezouden ioniseren
zijzouden ioniseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïoniseerd hebben
jijzou geïoniseerd hebben
hijzou geïoniseerd hebben
wijzouden geïoniseerd hebben
julliezouden geïoniseerd hebben
zijzouden geïoniseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijioniseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Probably borrowed. Equivalent to ion + -iseren.

Additional Information