blonderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blonderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blonderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blonderend
Past participle - Verleden deelwoord: geblondeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblondeer
jijblondeert
hijblondeert
wijblonderen
jullieblonderen
zijblonderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblondeerd
jijhebt geblondeerd
hijheeft geblondeerd
wijhebben geblondeerd
julliehebben geblondeerd
zijhebben geblondeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikblondeerde
jijblondeerde
hijblondeerde
wijblondeerden
jullieblondeerden
zijblondeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblondeerd
jijhad geblondeerd
hijhad geblondeerd
wijhadden geblondeerd
julliehadden geblondeerd
zijhadden geblondeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blonderen
jijzult blonderen
hijzal blonderen
wijzullen blonderen
julliezullen blonderen
zijzullen blonderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblondeerd hebben
jijzult geblondeerd hebben
hijzal geblondeerd hebben
wijzullen geblondeerd hebben
julliezullen geblondeerd hebben
zijzullen geblondeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blonderen
jijzou blonderen
hijzou blonderen
wijzouden blonderen
julliezouden blonderen
zijzouden blonderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblondeerd hebben
jijzou geblondeerd hebben
hijzou geblondeerd hebben
wijzouden geblondeerd hebben
julliezouden geblondeerd hebben
zijzouden geblondeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblondeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information