opmonteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opmonteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opmonteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opmonterend
Past participle - Verleden deelwoord: opmonterd; opgemonterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikopmonter; monter op
jijopmontert; montert op
hijopmontert; montert op
wijopmonteren; monteren op
jullieopmonteren; monteren op
zijopmonteren; monteren op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opmonterd; opgemonterd
jijhebt opmonterd; opgemonterd
hijheeft opmonterd; opgemonterd
wijhebben opmonterd; opgemonterd
julliehebben opmonterd; opgemonterd
zijhebben opmonterd; opgemonterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikopmonterde; monterde op
jijopmonterde; monterde op
hijopmonterde; monterde op
wijopmonterden; monterden op
jullieopmonterden; monterden op
zijopmonterden; monterden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opmonterd; opgemonterd
jijhad opmonterd; opgemonterd
hijhad opmonterd; opgemonterd
wijhadden opmonterd; opgemonterd
julliehadden opmonterd; opgemonterd
zijhadden opmonterd; opgemonterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opmonteren
jijzult opmonteren
hijzal opmonteren
wijzullen opmonteren
julliezullen opmonteren
zijzullen opmonteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opmonterd; opgemonterd hebben
jijzult opmonterd; opgemonterd hebben
hijzal opmonterd; opgemonterd hebben
wijzullen opmonterd; opgemonterd hebben
julliezullen opmonterd; opgemonterd hebben
zijzullen opmonterd; opgemonterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opmonteren
jijzou opmonteren
hijzou opmonteren
wijzouden opmonteren
julliezouden opmonteren
zijzouden opmonteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opmonterd; opgemonterd hebben
jijzou opmonterd; opgemonterd hebben
hijzou opmonterd; opgemonterd hebben
wijzouden opmonterd; opgemonterd hebben
julliezouden opmonterd; opgemonterd hebben
zijzouden opmonterd; opgemonterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijopmonter; monter op

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

opfleuren
opvrolijken

Sample Sentences

Etymology

Additional Information