monteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of monteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: monteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: monterend
Past participle - Verleden deelwoord: gemonteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmonteer
jijmonteert
hijmonteert
wijmonteren
julliemonteren
zijmonteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemonteerd
jijhebt gemonteerd
hijheeft gemonteerd
wijhebben gemonteerd
julliehebben gemonteerd
zijhebben gemonteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmonteerde
jijmonteerde
hijmonteerde
wijmonteerden
julliemonteerden
zijmonteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemonteerd
jijhad gemonteerd
hijhad gemonteerd
wijhadden gemonteerd
julliehadden gemonteerd
zijhadden gemonteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal monteren
jijzult monteren
hijzal monteren
wijzullen monteren
julliezullen monteren
zijzullen monteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemonteerd hebben
jijzult gemonteerd hebben
hijzal gemonteerd hebben
wijzullen gemonteerd hebben
julliezullen gemonteerd hebben
zijzullen gemonteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou monteren
jijzou monteren
hijzou monteren
wijzouden monteren
julliezouden monteren
zijzouden monteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemonteerd hebben
jijzou gemonteerd hebben
hijzou gemonteerd hebben
wijzouden gemonteerd hebben
julliezouden gemonteerd hebben
zijzouden gemonteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmonteer

Translations

  • montage, to combine into, or depict as, a montage
  • mount, to attach an object to a support
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanbrengen
    bevestigen, vastzetten

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French monter, from Vulgar Latin *montāre. Compare Hunsrik monteere. See: Middle French 'monter', Hunsrik 'monteere'.

    Additional Information