neerleggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of neerleggen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: neerleggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: neerleggend
Past participle - Verleden deelwoord: neergelegd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleg neer
jijlegt neer
hijlegt neer
wijleggen neer
jullieleggen neer
zijleggen neer

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb neergelegd
jijhebt neergelegd
hijheeft neergelegd
wijhebben neergelegd
julliehebben neergelegd
zijhebben neergelegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklegde neer
jijlegde neer
hijlegde neer
wijlegden neer
jullielegden neer
zijlegden neer

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad neergelegd
jijhad neergelegd
hijhad neergelegd
wijhadden neergelegd
julliehadden neergelegd
zijhadden neergelegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal neerleggen
jijzult neerleggen
hijzal neerleggen
wijzullen neerleggen
julliezullen neerleggen
zijzullen neerleggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal neergelegd hebben
jijzult neergelegd hebben
hijzal neergelegd hebben
wijzullen neergelegd hebben
julliezullen neergelegd hebben
zijzullen neergelegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou neerleggen
jijzou neerleggen
hijzou neerleggen
wijzouden neerleggen
julliezouden neerleggen
zijzouden neerleggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou neergelegd hebben
jijzou neergelegd hebben
hijzou neergelegd hebben
wijzouden neergelegd hebben
julliezouden neergelegd hebben
zijzouden neergelegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleg neer

Translations

  • depose, to put - or lay something down
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    ophouden
    staken
    doden
    neerschieten
    betalen
    dokken, neertellen
    omschrijven
    vastleggen

    Sample Sentences

    • Ik had nu het grootste magazijn van allerlei voorraad, dat ooit geloof ik, voor één mensch was neergelegd; maar ik was nog niet voldaan, want zoo lang het schip in dier voege bleef zitten, achtte ik het raadzaam er alles uit te halen wat ik kon; dus ging ik elken dag met laag water naar boord, en bragt [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From neer + leggen.

    Additional Information