neertellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of neertellen

The word "neertellen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: neertellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: neertellend
Past participle - Verleden deelwoord: neergeteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktel neer
jijtelt neer
hijtelt neer
wijtellen neer
jullietellen neer
zijtellen neer

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb neergeteld
jijhebt neergeteld
hijheeft neergeteld
wijhebben neergeteld
julliehebben neergeteld
zijhebben neergeteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktelde neer
jijtelde neer
hijtelde neer
wijtelden neer
jullietelden neer
zijtelden neer

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad neergeteld
jijhad neergeteld
hijhad neergeteld
wijhadden neergeteld
julliehadden neergeteld
zijhadden neergeteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal neertellen
jijzult neertellen
hijzal neertellen
wijzullen neertellen
julliezullen neertellen
zijzullen neertellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal neergeteld hebben
jijzult neergeteld hebben
hijzal neergeteld hebben
wijzullen neergeteld hebben
julliezullen neergeteld hebben
zijzullen neergeteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou neertellen
jijzou neertellen
hijzou neertellen
wijzouden neertellen
julliezouden neertellen
zijzouden neertellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou neergeteld hebben
jijzou neergeteld hebben
hijzou neergeteld hebben
wijzouden neergeteld hebben
julliezouden neergeteld hebben
zijzouden neergeteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtel neer

Verbs similar to 'neertellen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information