onteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of onteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: onteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: onterend
Past participle - Verleden deelwoord: onteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikonteer
jijonteert
hijonteert
wijonteren
jullieonteren
zijonteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb onteerd
jijhebt onteerd
hijheeft onteerd
wijhebben onteerd
julliehebben onteerd
zijhebben onteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikonteerde
jijonteerde
hijonteerde
wijonteerden
jullieonteerden
zijonteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad onteerd
jijhad onteerd
hijhad onteerd
wijhadden onteerd
julliehadden onteerd
zijhadden onteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal onteren
jijzult onteren
hijzal onteren
wijzullen onteren
julliezullen onteren
zijzullen onteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal onteerd hebben
jijzult onteerd hebben
hijzal onteerd hebben
wijzullen onteerd hebben
julliezullen onteerd hebben
zijzullen onteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou onteren
jijzou onteren
hijzou onteren
wijzouden onteren
julliezouden onteren
zijzouden onteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou onteerd hebben
jijzou onteerd hebben
hijzou onteerd hebben
wijzouden onteerd hebben
julliezouden onteerd hebben
zijzouden onteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijonteer

Translations

  • abuse, to rape
  • disparage, to dishonor by a comparison
  • violate, to rape
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bevlekken
    bezoedelen, schenden

    Sample Sentences

    • Je kunt dat niet doen zonder zijn nagedachtenis te onteren. (You cannot do that without dishonoring his memory.)

    Etymology

    From eer (“honour”) + ont- -en (privative verb-forming circumfix).

    Additional Information