Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: bevestigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bevestigend
Past participle - Verleden deelwoord: bevestigd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | bevestig |
| jij | bevestigt |
| hij | bevestigt |
| wij | bevestigen |
| jullie | bevestigen |
| zij | bevestigen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bevestigd |
| jij | hebt bevestigd |
| hij | heeft bevestigd |
| wij | hebben bevestigd |
| jullie | hebben bevestigd |
| zij | hebben bevestigd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bevestigde |
| jij | bevestigde |
| hij | bevestigde |
| wij | bevestigden |
| jullie | bevestigden |
| zij | bevestigden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bevestigd |
| jij | had bevestigd |
| hij | had bevestigd |
| wij | hadden bevestigd |
| jullie | hadden bevestigd |
| zij | hadden bevestigd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bevestigen |
| jij | zult bevestigen |
| hij | zal bevestigen |
| wij | zullen bevestigen |
| jullie | zullen bevestigen |
| zij | zullen bevestigen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bevestigd hebben |
| jij | zult bevestigd hebben |
| hij | zal bevestigd hebben |
| wij | zullen bevestigd hebben |
| jullie | zullen bevestigd hebben |
| zij | zullen bevestigd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bevestigen |
| jij | zou bevestigen |
| hij | zou bevestigen |
| wij | zouden bevestigen |
| jullie | zouden bevestigen |
| zij | zouden bevestigen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bevestigd hebben |
| jij | zou bevestigd hebben |
| hij | zou bevestigd hebben |
| wij | zouden bevestigd hebben |
| jullie | zouden bevestigd hebben |
| zij | zouden bevestigd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'bevestigen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'bevestigen'
beveiligen,
vestigen,
begiftigen,
begunstigen,
beledigen,
bemesten,
bevochtigen,
bevredigen,
devesteren,
bedreigen,
Translations
append, to hang or attach to, as by a string
assert, To affirm
bend, to tie a line
confirm, to assure
dog, to fasten a [[hatch]] securely
endorse, support
establish, To prove and cause to be accepted as true; to establish a fact; to demonstrate
mount, to attach an object to a support
prop, support
support, support
uphold, to support by approval or encouragement
Sample Sentences
-
Bij dit laatste deel van zijne rede, die inderdaad door de uitkomst volkomen bevestigd werd, schoon mijn vader dit zelf niet vermoeden kon, zag ik dat de tranen hem over het gelaat stroomden, vooral toen hij van mijn gesneuvelden broeder sprak; en toen hij van mijn berouw in later [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] naar het schijnt een of ander klooster geschonken was, jaarlijks meer dan tweehonderd moidores bedroeg. Dat er geen twijfel aan de teruggave bestond, daar mijn compagnon nog leefde om mijn regt te bevestigen, en mijn naam ook op de lands registers ingeschreven was. Ook zeide hij mij, dat de opvolgers van mijne twee gevolmagtigden brave eerlijke lieden en zeer gegoed waren, en hij geloofde, dat zij mij [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch bevestigen, replacing older bevesten. By surface analysis, be- + vestigen.
Additional Information