kleineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kleineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kleineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kleinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekleineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkleineer
jijkleineert
hijkleineert
wijkleineren
julliekleineren
zijkleineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekleineerd
jijhebt gekleineerd
hijheeft gekleineerd
wijhebben gekleineerd
julliehebben gekleineerd
zijhebben gekleineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkleineerde
jijkleineerde
hijkleineerde
wijkleineerden
julliekleineerden
zijkleineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekleineerd
jijhad gekleineerd
hijhad gekleineerd
wijhadden gekleineerd
julliehadden gekleineerd
zijhadden gekleineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kleineren
jijzult kleineren
hijzal kleineren
wijzullen kleineren
julliezullen kleineren
zijzullen kleineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekleineerd hebben
jijzult gekleineerd hebben
hijzal gekleineerd hebben
wijzullen gekleineerd hebben
julliezullen gekleineerd hebben
zijzullen gekleineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kleineren
jijzou kleineren
hijzou kleineren
wijzouden kleineren
julliezouden kleineren
zijzouden kleineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekleineerd hebben
jijzou gekleineerd hebben
hijzou gekleineerd hebben
wijzouden gekleineerd hebben
julliezouden gekleineerd hebben
zijzouden gekleineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkleineer

Translations

  • abase, to lower so as to cause pain or hurt feelings
  • belittle, to knowingly say that something is smaller or less important than it actually is
  • denigrate, to criticise so as to besmirch
  • denigrate, to treat as worthless
  • vilify, denounce, belittle through speech
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    minimaliseren
    bagatelliseren
    vernederen
    beledigen, krenken

    Antonyms

    minimaliseren
    overdrijven, aandikken, kleuren, opkloppen, opschroeven, opsmukken, vergroten

    Sample Sentences

    • Te dien tijd legde ik hier een grooten hoop druiven, en op eene andere plaats een kleineren, en een grooten voorraad limmetjes op eene derde, en trok met eenigen van elk naar huis, en besloot met een mand of zak terug te keeren, om het overige naar huis te brengen. Ik kwam dus te huis, na [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    Additional Information