kletteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kletteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kletteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kletterend
Past participle - Verleden deelwoord: gekletterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkletter
jijklettert
hijklettert
wijkletteren
julliekletteren
zijkletteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekletterd
jijhebt gekletterd
hijheeft gekletterd
wijhebben gekletterd
julliehebben gekletterd
zijhebben gekletterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkletterde
jijkletterde
hijkletterde
wijkletterden
julliekletterden
zijkletterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekletterd
jijhad gekletterd
hijhad gekletterd
wijhadden gekletterd
julliehadden gekletterd
zijhadden gekletterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kletteren
jijzult kletteren
hijzal kletteren
wijzullen kletteren
julliezullen kletteren
zijzullen kletteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekletterd hebben
jijzult gekletterd hebben
hijzal gekletterd hebben
wijzullen gekletterd hebben
julliezullen gekletterd hebben
zijzullen gekletterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kletteren
jijzou kletteren
hijzou kletteren
wijzouden kletteren
julliezouden kletteren
zijzouden kletteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekletterd hebben
jijzou gekletterd hebben
hijzou gekletterd hebben
wijzouden gekletterd hebben
julliezouden gekletterd hebben
zijzouden gekletterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkletter

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

rinkelen
klingelen, rammelen, tingelen, tinkelen

Sample Sentences

Etymology

Compare klateren.

Additional Information