klieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of klieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: klieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: klierend
Past participle - Verleden deelwoord: geklierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikklier
jijkliert
hijkliert
wijklieren
jullieklieren
zijklieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geklierd
jijhebt geklierd
hijheeft geklierd
wijhebben geklierd
julliehebben geklierd
zijhebben geklierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikklierde
jijklierde
hijklierde
wijklierden
jullieklierden
zijklierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geklierd
jijhad geklierd
hijhad geklierd
wijhadden geklierd
julliehadden geklierd
zijhadden geklierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal klieren
jijzult klieren
hijzal klieren
wijzullen klieren
julliezullen klieren
zijzullen klieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geklierd hebben
jijzult geklierd hebben
hijzal geklierd hebben
wijzullen geklierd hebben
julliezullen geklierd hebben
zijzullen geklierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou klieren
jijzou klieren
hijzou klieren
wijzouden klieren
julliezouden klieren
zijzouden klieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geklierd hebben
jijzou geklierd hebben
hijzou geklierd hebben
wijzouden geklierd hebben
julliezouden geklierd hebben
zijzouden geklierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijklier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information