kazerneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kazerneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kazerneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kazernerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekazerneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkazerneer
jijkazerneert
hijkazerneert
wijkazerneren
julliekazerneren
zijkazerneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekazerneerd
jijhebt gekazerneerd
hijheeft gekazerneerd
wijhebben gekazerneerd
julliehebben gekazerneerd
zijhebben gekazerneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkazerneerde
jijkazerneerde
hijkazerneerde
wijkazerneerden
julliekazerneerden
zijkazerneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekazerneerd
jijhad gekazerneerd
hijhad gekazerneerd
wijhadden gekazerneerd
julliehadden gekazerneerd
zijhadden gekazerneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kazerneren
jijzult kazerneren
hijzal kazerneren
wijzullen kazerneren
julliezullen kazerneren
zijzullen kazerneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekazerneerd hebben
jijzult gekazerneerd hebben
hijzal gekazerneerd hebben
wijzullen gekazerneerd hebben
julliezullen gekazerneerd hebben
zijzullen gekazerneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kazerneren
jijzou kazerneren
hijzou kazerneren
wijzouden kazerneren
julliezouden kazerneren
zijzouden kazerneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekazerneerd hebben
jijzou gekazerneerd hebben
hijzou gekazerneerd hebben
wijzouden gekazerneerd hebben
julliezouden gekazerneerd hebben
zijzouden gekazerneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkazerneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French caserner. See: French 'caserner'.

Additional Information