kadreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kadreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kadreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kadrerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekadreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkadreer
jijkadreert
hijkadreert
wijkadreren
julliekadreren
zijkadreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekadreerd
jijhebt gekadreerd
hijheeft gekadreerd
wijhebben gekadreerd
julliehebben gekadreerd
zijhebben gekadreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkadreerde
jijkadreerde
hijkadreerde
wijkadreerden
julliekadreerden
zijkadreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekadreerd
jijhad gekadreerd
hijhad gekadreerd
wijhadden gekadreerd
julliehadden gekadreerd
zijhadden gekadreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kadreren
jijzult kadreren
hijzal kadreren
wijzullen kadreren
julliezullen kadreren
zijzullen kadreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekadreerd hebben
jijzult gekadreerd hebben
hijzal gekadreerd hebben
wijzullen gekadreerd hebben
julliezullen gekadreerd hebben
zijzullen gekadreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kadreren
jijzou kadreren
hijzou kadreren
wijzouden kadreren
julliezouden kadreren
zijzouden kadreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekadreerd hebben
jijzou gekadreerd hebben
hijzou gekadreerd hebben
wijzouden gekadreerd hebben
julliezouden gekadreerd hebben
zijzouden gekadreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkadreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • (uit linked artikel — Maes: "Rendement moet hoger") "Als je 31 kansen krijgt, moet je toch iets meer proberen te kadreren"

Etymology

From kader (“frame”).

Additional Information