kanonneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kanonneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kanonneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kanonnerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekanonneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkanonneer
jijkanonneert
hijkanonneert
wijkanonneren
julliekanonneren
zijkanonneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekanonneerd
jijhebt gekanonneerd
hijheeft gekanonneerd
wijhebben gekanonneerd
julliehebben gekanonneerd
zijhebben gekanonneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkanonneerde
jijkanonneerde
hijkanonneerde
wijkanonneerden
julliekanonneerden
zijkanonneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekanonneerd
jijhad gekanonneerd
hijhad gekanonneerd
wijhadden gekanonneerd
julliehadden gekanonneerd
zijhadden gekanonneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kanonneren
jijzult kanonneren
hijzal kanonneren
wijzullen kanonneren
julliezullen kanonneren
zijzullen kanonneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekanonneerd hebben
jijzult gekanonneerd hebben
hijzal gekanonneerd hebben
wijzullen gekanonneerd hebben
julliezullen gekanonneerd hebben
zijzullen gekanonneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kanonneren
jijzou kanonneren
hijzou kanonneren
wijzouden kanonneren
julliezouden kanonneren
zijzouden kanonneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekanonneerd hebben
jijzou gekanonneerd hebben
hijzou gekanonneerd hebben
wijzouden gekanonneerd hebben
julliezouden gekanonneerd hebben
zijzouden gekanonneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkanonneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French canonner. Equivalent to kanon + -eren. See: French 'canonner'.

Additional Information