kannoneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kannoneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kannoneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kannonerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekannoneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkannoneer
jijkannoneert
hijkannoneert
wijkannoneren
julliekannoneren
zijkannoneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekannoneerd
jijhebt gekannoneerd
hijheeft gekannoneerd
wijhebben gekannoneerd
julliehebben gekannoneerd
zijhebben gekannoneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkannoneerde
jijkannoneerde
hijkannoneerde
wijkannoneerden
julliekannoneerden
zijkannoneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekannoneerd
jijhad gekannoneerd
hijhad gekannoneerd
wijhadden gekannoneerd
julliehadden gekannoneerd
zijhadden gekannoneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kannoneren
jijzult kannoneren
hijzal kannoneren
wijzullen kannoneren
julliezullen kannoneren
zijzullen kannoneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekannoneerd hebben
jijzult gekannoneerd hebben
hijzal gekannoneerd hebben
wijzullen gekannoneerd hebben
julliezullen gekannoneerd hebben
zijzullen gekannoneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kannoneren
jijzou kannoneren
hijzou kannoneren
wijzouden kannoneren
julliezouden kannoneren
zijzouden kannoneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekannoneerd hebben
jijzou gekannoneerd hebben
hijzou gekannoneerd hebben
wijzouden gekannoneerd hebben
julliezouden gekannoneerd hebben
zijzouden gekannoneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkannoneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information