garneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of garneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: garneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: garnerend
Past participle - Verleden deelwoord: gegarneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgarneer
jijgarneert
hijgarneert
wijgarneren
julliegarneren
zijgarneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegarneerd
jijhebt gegarneerd
hijheeft gegarneerd
wijhebben gegarneerd
julliehebben gegarneerd
zijhebben gegarneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgarneerde
jijgarneerde
hijgarneerde
wijgarneerden
julliegarneerden
zijgarneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegarneerd
jijhad gegarneerd
hijhad gegarneerd
wijhadden gegarneerd
julliehadden gegarneerd
zijhadden gegarneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal garneren
jijzult garneren
hijzal garneren
wijzullen garneren
julliezullen garneren
zijzullen garneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegarneerd hebben
jijzult gegarneerd hebben
hijzal gegarneerd hebben
wijzullen gegarneerd hebben
julliezullen gegarneerd hebben
zijzullen gegarneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou garneren
jijzou garneren
hijzou garneren
wijzouden garneren
julliezouden garneren
zijzouden garneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegarneerd hebben
jijzou gegarneerd hebben
hijzou gegarneerd hebben
wijzouden gegarneerd hebben
julliezouden gegarneerd hebben
zijzouden gegarneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgarneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

versieren
decoreren, verfraaien

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French garnir. See: French 'garnir'.

Additional Information