inzamelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inzamelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inzamelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inzamelend
Past participle - Verleden deelwoord: ingezameld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzamel in
jijzamelt in
hijzamelt in
wijzamelen in
julliezamelen in
zijzamelen in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingezameld
jijhebt ingezameld
hijheeft ingezameld
wijhebben ingezameld
julliehebben ingezameld
zijhebben ingezameld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzamelde in
jijzamelde in
hijzamelde in
wijzamelden in
julliezamelden in
zijzamelden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingezameld
jijhad ingezameld
hijhad ingezameld
wijhadden ingezameld
julliehadden ingezameld
zijhadden ingezameld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inzamelen
jijzult inzamelen
hijzal inzamelen
wijzullen inzamelen
julliezullen inzamelen
zijzullen inzamelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingezameld hebben
jijzult ingezameld hebben
hijzal ingezameld hebben
wijzullen ingezameld hebben
julliezullen ingezameld hebben
zijzullen ingezameld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inzamelen
jijzou inzamelen
hijzou inzamelen
wijzouden inzamelen
julliezouden inzamelen
zijzouden inzamelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingezameld hebben
jijzou ingezameld hebben
hijzou ingezameld hebben
wijzouden ingezameld hebben
julliezouden ingezameld hebben
zijzouden ingezameld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzamel in

Translations

  • glean, harvest grain left behind after the crop has been reaped
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    binnenhalen
    collecteren, oogsten, ophalen, vergaren

    Sample Sentences

    Etymology

    Compound of in + zamelen.

    Additional Information