entameren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of entameren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: entameren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: entamerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëntameerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikentameer
jijentameert
hijentameert
wijentameren
jullieentameren
zijentameren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëntameerd
jijhebt geëntameerd
hijheeft geëntameerd
wijhebben geëntameerd
julliehebben geëntameerd
zijhebben geëntameerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikentameerde
jijentameerde
hijentameerde
wijentameerden
jullieentameerden
zijentameerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëntameerd
jijhad geëntameerd
hijhad geëntameerd
wijhadden geëntameerd
julliehadden geëntameerd
zijhadden geëntameerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal entameren
jijzult entameren
hijzal entameren
wijzullen entameren
julliezullen entameren
zijzullen entameren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëntameerd hebben
jijzult geëntameerd hebben
hijzal geëntameerd hebben
wijzullen geëntameerd hebben
julliezullen geëntameerd hebben
zijzullen geëntameerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou entameren
jijzou entameren
hijzou entameren
wijzouden entameren
julliezouden entameren
zijzouden entameren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëntameerd hebben
jijzou geëntameerd hebben
hijzou geëntameerd hebben
wijzouden geëntameerd hebben
julliezouden geëntameerd hebben
zijzouden geëntameerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijentameer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French entamer. See: French 'entamer'.

Additional Information