Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: oogsten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oogstend
Past participle - Verleden deelwoord: geoogst
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | oogst |
| jij | oogst |
| hij | oogst |
| wij | oogsten |
| jullie | oogsten |
| zij | oogsten |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geoogst |
| jij | hebt geoogst |
| hij | heeft geoogst |
| wij | hebben geoogst |
| jullie | hebben geoogst |
| zij | hebben geoogst |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | oogstte |
| jij | oogstte |
| hij | oogstte |
| wij | oogstten |
| jullie | oogstten |
| zij | oogstten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geoogst |
| jij | had geoogst |
| hij | had geoogst |
| wij | hadden geoogst |
| jullie | hadden geoogst |
| zij | hadden geoogst |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal oogsten |
| jij | zult oogsten |
| hij | zal oogsten |
| wij | zullen oogsten |
| jullie | zullen oogsten |
| zij | zullen oogsten |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geoogst hebben |
| jij | zult geoogst hebben |
| hij | zal geoogst hebben |
| wij | zullen geoogst hebben |
| jullie | zullen geoogst hebben |
| zij | zullen geoogst hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou oogsten |
| jij | zou oogsten |
| hij | zou oogsten |
| wij | zouden oogsten |
| jullie | zouden oogsten |
| zij | zouden oogsten |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geoogst hebben |
| jij | zou geoogst hebben |
| hij | zou geoogst hebben |
| wij | zouden geoogst hebben |
| jullie | zouden geoogst hebben |
| zij | zouden geoogst hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'oogsten'
aanboeken,
aaneenkoeken,
aangrinniken,
aanharken,
aanjanken,
aanjuichen,
aankalken,
aanlijken,
aanlonken,
aanmerken,
aanreiken,
aanstuiken,
aanvonken,
aanwenken,
aanwerken,
afchecken,
afdanken,
afharken,
afkalken,
afkicken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'oogsten'
hoesten,
kosten,
posten,
barsten,
boeten,
dogen,
feesten,
fusten,
gisten,
haasten,
Translations
harvest, to bring in a harvest; reap
harvest, to be occupied bringing in a harvest
harvest, to win, achieve a gain
reap, to cut with a sickle
reap, to receive as a reward
sickle, to cut with a sickle
Sample Sentences
-
[...] was dit toch nog slechts weinig. Deze proefneming had mij thans echter geleerd hoe te handelen; ik wist thans wanneer ik zaaijen moest, en dat ik jaarlijks tweemaal in plaats van eens zou kunnen oogsten.
(Robinson Crusoe)
-
Dat was mij eene groote teleurstelling; ik voorzag, dat zij in weinige dagen mij van alles zouden berooven, dat ik eindelijk verhongeren en geen enkelen graankorrel ooit oogsten zou. Wat ik doen zou, wist ik niet. Ik besloot echter zoo mogelijk mijn koorn te bewaren, al zou ik er nacht en dag de wacht bij houden. In de eerste plaats ging ik zien welke schade zij alreeds [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] die in eene groote mand naar huis, waar ik met mijn handen er het graan uitwreef. Toen dit afgeloopen was, vond ik, dat ik van mijn zaad bijkans twee schepels rijst en twee en een half schepel graan geoogst had, dat wil zeggen naar gissing, want ik had geen maat.
(Robinson Crusoe)
-
[...] land te eggen, maar moest een zwaren boomtak achter mij aan slepen, om hiermede de kluiten te breken. Terwijl het rijpte ontdekte ik weder hoeveel werk ik had om het af te sluiten, te bewaren, te oogsten, naar huis te brengen, te dorschen, van het kaf te scheiden en te bewaren. Vervolgens ontbrak mij een molen om het te malen, een zeef om het te builen, gest en zout om er brood van te maken, en een [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch ogesten. Equivalent to oogst (“harvest, yield”) + -en.
Additional Information