Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: zamelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zamelend
Past participle - Verleden deelwoord: gezameld
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | zamel |
| jij | zamelt |
| hij | zamelt |
| wij | zamelen |
| jullie | zamelen |
| zij | zamelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gezameld |
| jij | hebt gezameld |
| hij | heeft gezameld |
| wij | hebben gezameld |
| jullie | hebben gezameld |
| zij | hebben gezameld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | zamelde |
| jij | zamelde |
| hij | zamelde |
| wij | zamelden |
| jullie | zamelden |
| zij | zamelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gezameld |
| jij | had gezameld |
| hij | had gezameld |
| wij | hadden gezameld |
| jullie | hadden gezameld |
| zij | hadden gezameld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal zamelen |
| jij | zult zamelen |
| hij | zal zamelen |
| wij | zullen zamelen |
| jullie | zullen zamelen |
| zij | zullen zamelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gezameld hebben |
| jij | zult gezameld hebben |
| hij | zal gezameld hebben |
| wij | zullen gezameld hebben |
| jullie | zullen gezameld hebben |
| zij | zullen gezameld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou zamelen |
| jij | zou zamelen |
| hij | zou zamelen |
| wij | zouden zamelen |
| jullie | zouden zamelen |
| zij | zouden zamelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gezameld hebben |
| jij | zou gezameld hebben |
| hij | zou gezameld hebben |
| wij | zouden gezameld hebben |
| jullie | zouden gezameld hebben |
| zij | zouden gezameld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'zamelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'zamelen'
zadelen,
zemelen,
adelen,
bazelen,
fabelen,
fazelen,
femelen,
hagelen,
hameren,
hemelen,
Translations
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] hem toen, zoo goed als ik kon, waarom onze Verlosser niet de gedaante der Engelen maar den aard der menschen had aangenomen; dat hij gekomen was om de verloren schapen van het huis Israëls bijeen te zamelen en zoo voorts.
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik mij zelve vele dingen eigen maakte en opmerkte, die ik vroeger niet wist of nimmer aan gedacht had, maar mij thans voor den geest kwamen, nu ik ze ter onderrigting voor dezen armen wilde bijeen zamelde; en ik onderzocht deze zaken thans met meer lust dan ooit te voren. Het zij dus deze arme wilde mij genoegen of gevaren zou aanbrengen, altijd had ik groote reden tot dankbaarheid. Mijn verdriet [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch *samelen, reflected in the early 15th-century Middle Dutch samelinge. The word is generally considered to be borrowed from German; if this word indeed existed in Middle Dutch, then it would be borrowed from Middle High German samelen. See: Middle High German '
samelen'.
Verbs referencing "zamelen"
English
sam.
Additional Information