dieselen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dieselen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dieselen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dieselend
Past participle - Verleden deelwoord: gedieseld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdiesel
jijdieselt
hijdieselt
wijdieselen
julliedieselen
zijdieselen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedieseld
jijhebt gedieseld
hijheeft gedieseld
wijhebben gedieseld
julliehebben gedieseld
zijhebben gedieseld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdieselde
jijdieselde
hijdieselde
wijdieselden
julliedieselden
zijdieselden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedieseld
jijhad gedieseld
hijhad gedieseld
wijhadden gedieseld
julliehadden gedieseld
zijhadden gedieseld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dieselen
jijzult dieselen
hijzal dieselen
wijzullen dieselen
julliezullen dieselen
zijzullen dieselen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedieseld hebben
jijzult gedieseld hebben
hijzal gedieseld hebben
wijzullen gedieseld hebben
julliezullen gedieseld hebben
zijzullen gedieseld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dieselen
jijzou dieselen
hijzou dieselen
wijzouden dieselen
julliezouden dieselen
zijzouden dieselen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedieseld hebben
jijzou gedieseld hebben
hijzou gedieseld hebben
wijzouden gedieseld hebben
julliezouden gedieseld hebben
zijzouden gedieseld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdiesel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information