fnuiken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fnuiken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fnuiken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fnuikend
Past participle - Verleden deelwoord: gefnuikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfnuik
jijfnuikt
hijfnuikt
wijfnuiken
julliefnuiken
zijfnuiken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefnuikt
jijhebt gefnuikt
hijheeft gefnuikt
wijhebben gefnuikt
julliehebben gefnuikt
zijhebben gefnuikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfnuikte
jijfnuikte
hijfnuikte
wijfnuikten
julliefnuikten
zijfnuikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefnuikt
jijhad gefnuikt
hijhad gefnuikt
wijhadden gefnuikt
julliehadden gefnuikt
zijhadden gefnuikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fnuiken
jijzult fnuiken
hijzal fnuiken
wijzullen fnuiken
julliezullen fnuiken
zijzullen fnuiken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefnuikt hebben
jijzult gefnuikt hebben
hijzal gefnuikt hebben
wijzullen gefnuikt hebben
julliezullen gefnuikt hebben
zijzullen gefnuikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fnuiken
jijzou fnuiken
hijzou fnuiken
wijzouden fnuiken
julliezouden fnuiken
zijzouden fnuiken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefnuikt hebben
jijzou gefnuikt hebben
hijzou gefnuikt hebben
wijzouden gefnuikt hebben
julliezouden gefnuikt hebben
zijzouden gefnuikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfnuik

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bekorten
knotten, nekken, ondergraven, smoren, verhinderen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch fnuken, vnuken; further etymology uncertain. Compare German Low German fnuken (“to push, press, nudge”).

Additional Information