trakteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trakteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trakteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trakterend
Past participle - Verleden deelwoord: getrakteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrakteer
jijtrakteert
hijtrakteert
wijtrakteren
jullietrakteren
zijtrakteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrakteerd
jijhebt getrakteerd
hijheeft getrakteerd
wijhebben getrakteerd
julliehebben getrakteerd
zijhebben getrakteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrakteerde
jijtrakteerde
hijtrakteerde
wijtrakteerden
jullietrakteerden
zijtrakteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrakteerd
jijhad getrakteerd
hijhad getrakteerd
wijhadden getrakteerd
julliehadden getrakteerd
zijhadden getrakteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trakteren
jijzult trakteren
hijzal trakteren
wijzullen trakteren
julliezullen trakteren
zijzullen trakteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrakteerd hebben
jijzult getrakteerd hebben
hijzal getrakteerd hebben
wijzullen getrakteerd hebben
julliezullen getrakteerd hebben
zijzullen getrakteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trakteren
jijzou trakteren
hijzou trakteren
wijzouden trakteren
julliezouden trakteren
zijzouden trakteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrakteerd hebben
jijzou getrakteerd hebben
hijzou getrakteerd hebben
wijzouden getrakteerd hebben
julliezouden getrakteerd hebben
zijzouden getrakteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrakteer

Translations

  • treat, to entertain with food or drink
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Hij trakteerde de groep op cake. (He treated the group to cake.)
    • Maak je geen zorgen om de prijs, ik trakteer. (Don't worry about the price, it's my treat.)

    Etymology

    From Middle Dutch tracteren (“to discuss”), from Latin tractāre. Doublet of trachten. See: Latin 'tractō'.

    Verbs referencing "trakteren"

    German, old spelling traktieren.

    Additional Information