telen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of telen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: telen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: telend
Past participle - Verleden deelwoord: geteeld

Cognates

See the 3 cognates of telen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikteel
jijteelt
hijteelt
wijtelen
jullietelen
zijtelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geteeld
jijhebt geteeld
hijheeft geteeld
wijhebben geteeld
julliehebben geteeld
zijhebben geteeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikteelde
jijteelde
hijteelde
wijteelden
jullieteelden
zijteelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geteeld
jijhad geteeld
hijhad geteeld
wijhadden geteeld
julliehadden geteeld
zijhadden geteeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal telen
jijzult telen
hijzal telen
wijzullen telen
julliezullen telen
zijzullen telen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geteeld hebben
jijzult geteeld hebben
hijzal geteeld hebben
wijzullen geteeld hebben
julliezullen geteeld hebben
zijzullen geteeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou telen
jijzou telen
hijzou telen
wijzouden telen
julliezouden telen
zijzouden telen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geteeld hebben
jijzou geteeld hebben
hijzou geteeld hebben
wijzouden geteeld hebben
julliezouden geteeld hebben
zijzouden geteeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijteel

Translations

  • cultivate, grow plants, notably crops
  • grow, (''transitive'') to cause something to become bigger
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    kweken
    verbouwen

    Sample Sentences

    • [...] van een zoo goed, braaf man als hij zelf was, die een ingenio, gelijk men het noemt, dat is, eene plantaadje en suikerfabrijk had. Ik bleef daar eenigen tijd, en leerde de wijze, waarop de suiker geteeld en gefabriceerd wordt. Ziende hoe goed de planters leefden, en hoe spoedig rijk zij werden, besloot ik, als ik er verlof toe bekomen kon, mij daar te vestigen, en even als zij, een planter te [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] een geschenk had gezonden, besteed, om voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak, omdat ik dien zelf geteeld had. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch tēlen, from Old Dutch tilon, from Proto-West Germanic *tilōn, from Proto-Germanic *tilōną. See: Old Dutch 'tilon', Proto-Germanic '*tilōną'.

    Verbs referencing "telen"

    Luxembourgish zillen.

    Additional Information