Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: telen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: telend
Past participle - Verleden deelwoord: geteeld
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | teel |
| jij | teelt |
| hij | teelt |
| wij | telen |
| jullie | telen |
| zij | telen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geteeld |
| jij | hebt geteeld |
| hij | heeft geteeld |
| wij | hebben geteeld |
| jullie | hebben geteeld |
| zij | hebben geteeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | teelde |
| jij | teelde |
| hij | teelde |
| wij | teelden |
| jullie | teelden |
| zij | teelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geteeld |
| jij | had geteeld |
| hij | had geteeld |
| wij | hadden geteeld |
| jullie | hadden geteeld |
| zij | hadden geteeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal telen |
| jij | zult telen |
| hij | zal telen |
| wij | zullen telen |
| jullie | zullen telen |
| zij | zullen telen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geteeld hebben |
| jij | zult geteeld hebben |
| hij | zal geteeld hebben |
| wij | zullen geteeld hebben |
| jullie | zullen geteeld hebben |
| zij | zullen geteeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou telen |
| jij | zou telen |
| hij | zou telen |
| wij | zouden telen |
| jullie | zouden telen |
| zij | zouden telen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geteeld hebben |
| jij | zou geteeld hebben |
| hij | zou geteeld hebben |
| wij | zouden geteeld hebben |
| jullie | zouden geteeld hebben |
| zij | zouden geteeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'telen'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'telen'
delen,
helen,
kelen,
melen,
pelen,
stelen,
tellen,
teren,
velen,
adelen,
Translations
cultivate, grow plants, notably crops
grow, (''transitive'') to cause something to become bigger
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- kweken
- verbouwen
Sample Sentences
-
[...] van een zoo goed, braaf man als hij zelf was, die een ingenio, gelijk men het noemt, dat is, eene plantaadje en suikerfabrijk had. Ik bleef daar eenigen tijd, en leerde de wijze, waarop de suiker geteeld en gefabriceerd wordt. Ziende hoe goed de planters leefden, en hoe spoedig rijk zij werden, besloot ik, als ik er verlof toe bekomen kon, mij daar te vestigen, en even als zij, een planter te [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] een geschenk had gezonden, besteed, om voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak, omdat ik dien zelf geteeld had.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch tēlen, from Old Dutch tilon, from Proto-West Germanic *tilōn, from Proto-Germanic *tilōną. See: Old Dutch 'tilon', Proto-Germanic '
*tilōną'.
Verbs referencing "telen"
Luxembourgish
zillen.
Additional Information