meevoelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meevoelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meevoelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: meevoelend
Past participle - Verleden deelwoord: meegevoeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoel mee
jijvoelt mee
hijvoelt mee
wijvoelen mee
jullievoelen mee
zijvoelen mee

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb meegevoeld
jijhebt meegevoeld
hijheeft meegevoeld
wijhebben meegevoeld
julliehebben meegevoeld
zijhebben meegevoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoelde mee
jijvoelde mee
hijvoelde mee
wijvoelden mee
jullievoelden mee
zijvoelden mee

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad meegevoeld
jijhad meegevoeld
hijhad meegevoeld
wijhadden meegevoeld
julliehadden meegevoeld
zijhadden meegevoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meevoelen
jijzult meevoelen
hijzal meevoelen
wijzullen meevoelen
julliezullen meevoelen
zijzullen meevoelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal meegevoeld hebben
jijzult meegevoeld hebben
hijzal meegevoeld hebben
wijzullen meegevoeld hebben
julliezullen meegevoeld hebben
zijzullen meegevoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meevoelen
jijzou meevoelen
hijzou meevoelen
wijzouden meevoelen
julliezouden meevoelen
zijzouden meevoelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou meegevoeld hebben
jijzou meegevoeld hebben
hijzou meegevoeld hebben
wijzouden meegevoeld hebben
julliezouden meegevoeld hebben
zijzouden meegevoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoel mee

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From mee (“along”) + voelen (“feel”).

Additional Information