defileren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of defileren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: defileren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: defilerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedefileerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdefileer
jijdefileert
hijdefileert
wijdefileren
julliedefileren
zijdefileren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedefileerd
jijhebt gedefileerd
hijheeft gedefileerd
wijhebben gedefileerd
julliehebben gedefileerd
zijhebben gedefileerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdefileerde
jijdefileerde
hijdefileerde
wijdefileerden
julliedefileerden
zijdefileerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedefileerd
jijhad gedefileerd
hijhad gedefileerd
wijhadden gedefileerd
julliehadden gedefileerd
zijhadden gedefileerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal defileren
jijzult defileren
hijzal defileren
wijzullen defileren
julliezullen defileren
zijzullen defileren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedefileerd hebben
jijzult gedefileerd hebben
hijzal gedefileerd hebben
wijzullen gedefileerd hebben
julliezullen gedefileerd hebben
zijzullen gedefileerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou defileren
jijzou defileren
hijzou defileren
wijzouden defileren
julliezouden defileren
zijzouden defileren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedefileerd hebben
jijzou gedefileerd hebben
hijzou gedefileerd hebben
wijzouden gedefileerd hebben
julliezouden gedefileerd hebben
zijzouden gedefileerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdefileer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information