fileren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fileren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fileren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: filerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefileerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfileer
jijfileert
hijfileert
wijfileren
julliefileren
zijfileren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefileerd
jijhebt gefileerd
hijheeft gefileerd
wijhebben gefileerd
julliehebben gefileerd
zijhebben gefileerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfileerde
jijfileerde
hijfileerde
wijfileerden
julliefileerden
zijfileerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefileerd
jijhad gefileerd
hijhad gefileerd
wijhadden gefileerd
julliehadden gefileerd
zijhadden gefileerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fileren
jijzult fileren
hijzal fileren
wijzullen fileren
julliezullen fileren
zijzullen fileren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefileerd hebben
jijzult gefileerd hebben
hijzal gefileerd hebben
wijzullen gefileerd hebben
julliezullen gefileerd hebben
zijzullen gefileerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fileren
jijzou fileren
hijzou fileren
wijzouden fileren
julliezouden fileren
zijzouden fileren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefileerd hebben
jijzou gefileerd hebben
hijzou gefileerd hebben
wijzouden gefileerd hebben
julliezouden gefileerd hebben
zijzouden gefileerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfileer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From filet + -eren. Not from French filer.

Additional Information