delireren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of delireren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: delireren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: delirerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedelireerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdelireer
jijdelireert
hijdelireert
wijdelireren
julliedelireren
zijdelireren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedelireerd
jijhebt gedelireerd
hijheeft gedelireerd
wijhebben gedelireerd
julliehebben gedelireerd
zijhebben gedelireerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdelireerde
jijdelireerde
hijdelireerde
wijdelireerden
julliedelireerden
zijdelireerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedelireerd
jijhad gedelireerd
hijhad gedelireerd
wijhadden gedelireerd
julliehadden gedelireerd
zijhadden gedelireerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal delireren
jijzult delireren
hijzal delireren
wijzullen delireren
julliezullen delireren
zijzullen delireren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedelireerd hebben
jijzult gedelireerd hebben
hijzal gedelireerd hebben
wijzullen gedelireerd hebben
julliezullen gedelireerd hebben
zijzullen gedelireerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou delireren
jijzou delireren
hijzou delireren
wijzouden delireren
julliezouden delireren
zijzouden delireren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedelireerd hebben
jijzou gedelireerd hebben
hijzou gedelireerd hebben
wijzouden gedelireerd hebben
julliezouden gedelireerd hebben
zijzouden gedelireerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdelireer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information