detineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of detineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: detineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: detinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedetineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdetineer
jijdetineert
hijdetineert
wijdetineren
julliedetineren
zijdetineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedetineerd
jijhebt gedetineerd
hijheeft gedetineerd
wijhebben gedetineerd
julliehebben gedetineerd
zijhebben gedetineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdetineerde
jijdetineerde
hijdetineerde
wijdetineerden
julliedetineerden
zijdetineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedetineerd
jijhad gedetineerd
hijhad gedetineerd
wijhadden gedetineerd
julliehadden gedetineerd
zijhadden gedetineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal detineren
jijzult detineren
hijzal detineren
wijzullen detineren
julliezullen detineren
zijzullen detineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedetineerd hebben
jijzult gedetineerd hebben
hijzal gedetineerd hebben
wijzullen gedetineerd hebben
julliezullen gedetineerd hebben
zijzullen gedetineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou detineren
jijzou detineren
hijzou detineren
wijzouden detineren
julliezouden detineren
zijzouden detineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedetineerd hebben
jijzou gedetineerd hebben
hijzou gedetineerd hebben
wijzouden gedetineerd hebben
julliezouden gedetineerd hebben
zijzouden gedetineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdetineer

Translations

  • detain, put under custody
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Latin dētineō. See: Latin 'dētineō'.

    Additional Information