epileren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of epileren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: epileren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: epilerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëpileerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikepileer
jijepileert
hijepileert
wijepileren
jullieepileren
zijepileren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëpileerd
jijhebt geëpileerd
hijheeft geëpileerd
wijhebben geëpileerd
julliehebben geëpileerd
zijhebben geëpileerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikepileerde
jijepileerde
hijepileerde
wijepileerden
jullieepileerden
zijepileerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëpileerd
jijhad geëpileerd
hijhad geëpileerd
wijhadden geëpileerd
julliehadden geëpileerd
zijhadden geëpileerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal epileren
jijzult epileren
hijzal epileren
wijzullen epileren
julliezullen epileren
zijzullen epileren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëpileerd hebben
jijzult geëpileerd hebben
hijzal geëpileerd hebben
wijzullen geëpileerd hebben
julliezullen geëpileerd hebben
zijzullen geëpileerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou epileren
jijzou epileren
hijzou epileren
wijzouden epileren
julliezouden epileren
zijzouden epileren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëpileerd hebben
jijzou geëpileerd hebben
hijzou geëpileerd hebben
wijzouden geëpileerd hebben
julliezouden geëpileerd hebben
zijzouden geëpileerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijepileer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French épiler. See: French 'épiler'.

Additional Information