confirmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of confirmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: confirmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: confirmerend
Past participle - Verleden deelwoord: geconfirmeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconfirmeer
jijconfirmeert
hijconfirmeert
wijconfirmeren
jullieconfirmeren
zijconfirmeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconfirmeerd
jijhebt geconfirmeerd
hijheeft geconfirmeerd
wijhebben geconfirmeerd
julliehebben geconfirmeerd
zijhebben geconfirmeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconfirmeerde
jijconfirmeerde
hijconfirmeerde
wijconfirmeerden
jullieconfirmeerden
zijconfirmeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconfirmeerd
jijhad geconfirmeerd
hijhad geconfirmeerd
wijhadden geconfirmeerd
julliehadden geconfirmeerd
zijhadden geconfirmeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal confirmeren
jijzult confirmeren
hijzal confirmeren
wijzullen confirmeren
julliezullen confirmeren
zijzullen confirmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconfirmeerd hebben
jijzult geconfirmeerd hebben
hijzal geconfirmeerd hebben
wijzullen geconfirmeerd hebben
julliezullen geconfirmeerd hebben
zijzullen geconfirmeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou confirmeren
jijzou confirmeren
hijzou confirmeren
wijzouden confirmeren
julliezouden confirmeren
zijzouden confirmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconfirmeerd hebben
jijzou geconfirmeerd hebben
hijzou geconfirmeerd hebben
wijzouden geconfirmeerd hebben
julliezouden geconfirmeerd hebben
zijzouden geconfirmeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconfirmeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bevestigen
bekrachtigen, instemmen

Antonyms

bevestigen
losmaken

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch confirmeren, from Old French confermer, from Latin cōnfirmō. See: Old French 'confermer', Latin 'cōnfirmō'.

Additional Information