bepalen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bepalen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bepalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bepalend
Past participle - Verleden deelwoord: bepaald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbepaal
jijbepaalt
hijbepaalt
wijbepalen
julliebepalen
zijbepalen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bepaald
jijhebt bepaald
hijheeft bepaald
wijhebben bepaald
julliehebben bepaald
zijhebben bepaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbepaalde
jijbepaalde
hijbepaalde
wijbepaalden
julliebepaalden
zijbepaalden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bepaald
jijhad bepaald
hijhad bepaald
wijhadden bepaald
julliehadden bepaald
zijhadden bepaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bepalen
jijzult bepalen
hijzal bepalen
wijzullen bepalen
julliezullen bepalen
zijzullen bepalen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bepaald hebben
jijzult bepaald hebben
hijzal bepaald hebben
wijzullen bepaald hebben
julliezullen bepaald hebben
zijzullen bepaald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bepalen
jijzou bepalen
hijzou bepalen
wijzouden bepalen
julliezouden bepalen
zijzouden bepalen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bepaald hebben
jijzou bepaald hebben
hijzou bepaald hebben
wijzouden bepaald hebben
julliezouden bepaald hebben
zijzouden bepaald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbepaal

Translations

  • appoint, to fix (the time and place of)
  • define, to determine
  • define, demark the limits of
  • designate, to mark out and make known; to point out; to name; to indicate
  • determine, to ascertain definitely
  • extract, to determine
  • govern, to exercise a determining influence on
  • set, to determine
  • settle, to determine
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bedingen
    stipuleren, verordenen, voorschrijven
    constateren
    meten, nagaan, uitrekenen, vaststellen

    Sample Sentences

    • Ten dien einde veranderden wij van koers en stuurden N.W. ten W., ten einde een der Engelsche eilanden te bereiken. Maar onze reis was anders bepaald, want op 12°, 15 ' breedte gekomen, sloeg een tweede storm ons even geweldig westwaarts, en voerde ons buiten alle handelswegen van beschaafde volkeren. Zoo dus al ons leven op zee gespaard werd, [...] (Robinson Crusoe)
    • Na thans mijne woning bepaald te hebben, achtte ik het volstrekt noodzakelijk eene plaats te hebben waar, en brandhout waarmede ik stoken kon. Ik zal op zijne plaats verhalen, hoe ik dit alles deed, en hoe ik mijn kelder [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] der plantaadje gegaan waren, en of hij begreep dat zij verdiende opgezocht te worden, of als ik daarheen ging, mij mijn regt op de helft niet zou betwist worden. Hij zeide mij niet juist te kunnen bepalen, wat de plantaadje waard was, maar dat mijn compagnon alleen van de helft een zeer rijk man was geworden, en hij had gehoord dat het derde deel van den koning, dat naar het schijnt een of ander [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] te verachten. Twee der schepen, waar ik het oog meer bijzonder op geslagen had, zoodat ik reeds mijne goederen in het eene gezonden had, en met den kapitein van het andere mijnen overtogt reeds bepaald; deze twee zelfde schepen verongelukten; het eene namelijk werd door Algerijnsche kapers genomen en het andere bij Torbay verbrijzeld, en al het volk op drie na, verdronk; zodat ik niet weet op welk [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch bepalen (“to put poles on/around”). Equivalent to paal + be- -en.

    Additional Information