naslaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of naslaan

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: naslaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: naslaand
Past participle - Verleden deelwoord: nageslagen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksla na
jijslaat na
hijslaat na
wijslaan na
jullieslaan na
zijslaan na

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb nageslagen
jijhebt nageslagen
hijheeft nageslagen
wijhebben nageslagen
julliehebben nageslagen
zijhebben nageslagen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksloeg na
jijsloeg na
hijsloeg na
wijsloegen na
julliesloegen na
zijsloegen na

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad nageslagen
jijhad nageslagen
hijhad nageslagen
wijhadden nageslagen
julliehadden nageslagen
zijhadden nageslagen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal naslaan
jijzult naslaan
hijzal naslaan
wijzullen naslaan
julliezullen naslaan
zijzullen naslaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal nageslagen hebben
jijzult nageslagen hebben
hijzal nageslagen hebben
wijzullen nageslagen hebben
julliezullen nageslagen hebben
zijzullen nageslagen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou naslaan
jijzou naslaan
hijzou naslaan
wijzouden naslaan
julliezouden naslaan
zijzouden naslaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou nageslagen hebben
jijzou nageslagen hebben
hijzou nageslagen hebben
wijzouden nageslagen hebben
julliezouden nageslagen hebben
zijzouden nageslagen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsla na

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

nazien
opzoeken

Sample Sentences

Etymology

From na + slaan.

Additional Information