neerdalen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of neerdalen

The word "neerdalen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: neerdalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: neerdalend
Past participle - Verleden deelwoord: neergedaald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdaal neer
jijdaalt neer
hijdaalt neer
wijdalen neer
julliedalen neer
zijdalen neer

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb neergedaald
jijhebt neergedaald
hijheeft neergedaald
wijhebben neergedaald
julliehebben neergedaald
zijhebben neergedaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdaalde neer
jijdaalde neer
hijdaalde neer
wijdaalden neer
julliedaalden neer
zijdaalden neer

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad neergedaald
jijhad neergedaald
hijhad neergedaald
wijhadden neergedaald
julliehadden neergedaald
zijhadden neergedaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal neerdalen
jijzult neerdalen
hijzal neerdalen
wijzullen neerdalen
julliezullen neerdalen
zijzullen neerdalen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal neergedaald hebben
jijzult neergedaald hebben
hijzal neergedaald hebben
wijzullen neergedaald hebben
julliezullen neergedaald hebben
zijzullen neergedaald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou neerdalen
jijzou neerdalen
hijzou neerdalen
wijzouden neerdalen
julliezouden neerdalen
zijzouden neerdalen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou neergedaald hebben
jijzou neergedaald hebben
hijzou neergedaald hebben
wijzouden neergedaald hebben
julliezouden neergedaald hebben
zijzouden neergedaald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdaal neer

Verbs similar to 'neerdalen'

Translations

  • descend, to pass from a higher to a lower place
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch nederdalen. Equivalent to neer (“down”) + dalen (“to descend, to go down”).

    Additional Information