strelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of strelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: strelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: strelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestreeld

Cognates

See the 2 cognates of strelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstreel
jijstreelt
hijstreelt
wijstrelen
julliestrelen
zijstrelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestreeld
jijhebt gestreeld
hijheeft gestreeld
wijhebben gestreeld
julliehebben gestreeld
zijhebben gestreeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstreelde
jijstreelde
hijstreelde
wijstreelden
julliestreelden
zijstreelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestreeld
jijhad gestreeld
hijhad gestreeld
wijhadden gestreeld
julliehadden gestreeld
zijhadden gestreeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal strelen
jijzult strelen
hijzal strelen
wijzullen strelen
julliezullen strelen
zijzullen strelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestreeld hebben
jijzult gestreeld hebben
hijzal gestreeld hebben
wijzullen gestreeld hebben
julliezullen gestreeld hebben
zijzullen gestreeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou strelen
jijzou strelen
hijzou strelen
wijzouden strelen
julliezouden strelen
zijzouden strelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestreeld hebben
jijzou gestreeld hebben
hijzou gestreeld hebben
wijzouden gestreeld hebben
julliezouden gestreeld hebben
zijzouden gestreeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstreel

Translations

  • pet, fondle (another person) amorously
  • stroke, to move one's hand or an object over the surface of
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    liefkozen
    aaien

    Sample Sentences

    • Ik toog te werk aan deze boot, meer als een gek, dan als iemand, die zijn gezond verstand heeft. De voorgenomen reis streelde mij, zonder dat ik ooit overwoog of ik wel in staat zou zijn die te beginnen. Wel dacht ik dikwijls, dat het mij moeijelijk zou zijn mijne boot te water brengen, maar dan stopte ik mij zelven den [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch strêlen, an eastern form (with umlaut on long vowel) from Old Dutch *strālen, from Proto-West Germanic *strālijan. Cognate with Luxembourgish stréilen, archaic German strählen. See: Luxembourgish 'stréilen', German, old spelling 'strählen'.

    Verbs referencing "strelen"

    Luxembourgish stréilen.

    Additional Information