weerleggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of weerleggen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: weerleggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: weerleggend
Past participle - Verleden deelwoord: weerlegd

Cognates

See the 2 cognates of weerleggen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikweerleg
jijweerlegt
hijweerlegt
wijweerleggen
jullieweerleggen
zijweerleggen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb weerlegd
jijhebt weerlegd
hijheeft weerlegd
wijhebben weerlegd
julliehebben weerlegd
zijhebben weerlegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikweerlegde
jijweerlegde
hijweerlegde
wijweerlegden
jullieweerlegden
zijweerlegden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad weerlegd
jijhad weerlegd
hijhad weerlegd
wijhadden weerlegd
julliehadden weerlegd
zijhadden weerlegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal weerleggen
jijzult weerleggen
hijzal weerleggen
wijzullen weerleggen
julliezullen weerleggen
zijzullen weerleggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal weerlegd hebben
jijzult weerlegd hebben
hijzal weerlegd hebben
wijzullen weerlegd hebben
julliezullen weerlegd hebben
zijzullen weerlegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou weerleggen
jijzou weerleggen
hijzou weerleggen
wijzouden weerleggen
julliezouden weerleggen
zijzouden weerleggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou weerlegd hebben
jijzou weerlegd hebben
hijzou weerlegd hebben
wijzouden weerlegd hebben
julliezouden weerlegd hebben
zijzouden weerlegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijweerleg

Translations

  • contradict, deny the truth of (a statement or statements)
  • disprove, to refute
  • gainsay, to contradict something said
  • refute, to prove (something) to be false or incorrect
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bestrijden
    ontkrachten, ontzenuwen

    Sample Sentences

    Etymology

    From weer- (“against, counter”) + leggen (“to lay”). Compare German widerlegen, Swedish vederlägga. See: German, old spelling 'widerlegen', Swedish 'vederlägga'.

    Verbs referencing "weerleggen"

    German, old spelling widerlegen, Swedish vederlägga.

    Additional Information