verouderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verouderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verouderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verouderend
Past participle - Verleden deelwoord: verouderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverouder
jijveroudert
hijveroudert
wijverouderen
jullieverouderen
zijverouderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben verouderd
jijbent verouderd
hijis verouderd
wijzijn verouderd
julliezijn verouderd
zijzijn verouderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverouderde
jijverouderde
hijverouderde
wijverouderden
jullieverouderden
zijverouderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas verouderd
jijwas verouderd
hijwas verouderd
wijwaren verouderd
julliewaren verouderd
zijwaren verouderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verouderen
jijzult verouderen
hijzal verouderen
wijzullen verouderen
julliezullen verouderen
zijzullen verouderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verouderd zijn
jijzult verouderd zijn
hijzal verouderd zijn
wijzullen verouderd zijn
julliezullen verouderd zijn
zijzullen verouderd zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verouderen
jijzou verouderen
hijzou verouderen
wijzouden verouderen
julliezouden verouderen
zijzouden verouderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verouderd zijn
jijzou verouderd zijn
hijzou verouderd zijn
wijzouden verouderd zijn
julliezouden verouderd zijn
zijzouden verouderd zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijverouder

Translations

  • age, intransitive: become old
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aftakelen
    achteruitgaan, afsterven, verloederen, vervallen, verwelken, verzwakken

    Sample Sentences

    Etymology

    From ouder + ver- -en.

    Additional Information