eroderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of eroderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: eroderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: eroderend
Past participle - Verleden deelwoord: erodeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikerodeer
jijerodeert
hijerodeert
wijeroderen
jullieeroderen
zijeroderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb erodeerd
jijhebt erodeerd
hijheeft erodeerd
wijhebben erodeerd
julliehebben erodeerd
zijhebben erodeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikerodeerde
jijerodeerde
hijerodeerde
wijerodeerden
jullieerodeerden
zijerodeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad erodeerd
jijhad erodeerd
hijhad erodeerd
wijhadden erodeerd
julliehadden erodeerd
zijhadden erodeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal eroderen
jijzult eroderen
hijzal eroderen
wijzullen eroderen
julliezullen eroderen
zijzullen eroderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal erodeerd hebben
jijzult erodeerd hebben
hijzal erodeerd hebben
wijzullen erodeerd hebben
julliezullen erodeerd hebben
zijzullen erodeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou eroderen
jijzou eroderen
hijzou eroderen
wijzouden eroderen
julliezouden eroderen
zijzouden eroderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou erodeerd hebben
jijzou erodeerd hebben
hijzou erodeerd hebben
wijzouden erodeerd hebben
julliezouden erodeerd hebben
zijzouden erodeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijerodeer

Translations

  • erode, To wear away by abrasion, corrosion or chemical reaction
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French éroder, from Latin ērōdō. See: French 'éroder', Latin 'ērōdō'.

    Additional Information