verorberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verorberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verorberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verorberend
Past participle - Verleden deelwoord: verorberd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverorber
jijverorbert
hijverorbert
wijverorberen
jullieverorberen
zijverorberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verorberd
jijhebt verorberd
hijheeft verorberd
wijhebben verorberd
julliehebben verorberd
zijhebben verorberd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverorberde
jijverorberde
hijverorberde
wijverorberden
jullieverorberden
zijverorberden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verorberd
jijhad verorberd
hijhad verorberd
wijhadden verorberd
julliehadden verorberd
zijhadden verorberd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verorberen
jijzult verorberen
hijzal verorberen
wijzullen verorberen
julliezullen verorberen
zijzullen verorberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verorberd hebben
jijzult verorberd hebben
hijzal verorberd hebben
wijzullen verorberd hebben
julliezullen verorberd hebben
zijzullen verorberd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verorberen
jijzou verorberen
hijzou verorberen
wijzouden verorberen
julliezouden verorberen
zijzouden verorberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verorberd hebben
jijzou verorberd hebben
hijzou verorberd hebben
wijzouden verorberd hebben
julliezouden verorberd hebben
zijzouden verorberd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverorber

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information