tegenstaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tegenstaan

The word "tegenstaan" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tegenstaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tegenstaand
Past participle - Verleden deelwoord: tegengestaan

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksta tegen
jijstaat tegen
hijstaat tegen
wijstaan tegen
julliestaan tegen
zijstaan tegen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb tegengestaan
jijhebt tegengestaan
hijheeft tegengestaan
wijhebben tegengestaan
julliehebben tegengestaan
zijhebben tegengestaan

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstond tegen
jijstond tegen
hijstond tegen
wijstonden tegen
julliestonden tegen
zijstonden tegen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad tegengestaan
jijhad tegengestaan
hijhad tegengestaan
wijhadden tegengestaan
julliehadden tegengestaan
zijhadden tegengestaan

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tegenstaan
jijzult tegenstaan
hijzal tegenstaan
wijzullen tegenstaan
julliezullen tegenstaan
zijzullen tegenstaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal tegengestaan hebben
jijzult tegengestaan hebben
hijzal tegengestaan hebben
wijzullen tegengestaan hebben
julliezullen tegengestaan hebben
zijzullen tegengestaan hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tegenstaan
jijzou tegenstaan
hijzou tegenstaan
wijzouden tegenstaan
julliezouden tegenstaan
zijzouden tegenstaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou tegengestaan hebben
jijzou tegengestaan hebben
hijzou tegengestaan hebben
wijzouden tegengestaan hebben
julliezouden tegengestaan hebben
zijzouden tegengestaan hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsta tegen

Verbs similar to 'tegenstaan'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of tegen (“against”) + staan (“to stand”)

Additional Information