Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: stinken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stinkend
Past participle - Verleden deelwoord: gestonken
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | stink |
| jij | stinkt |
| hij | stinkt |
| wij | stinken |
| jullie | stinken |
| zij | stinken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gestonken |
| jij | hebt gestonken |
| hij | heeft gestonken |
| wij | hebben gestonken |
| jullie | hebben gestonken |
| zij | hebben gestonken |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | stonk |
| jij | stonk |
| hij | stonk |
| wij | stonken |
| jullie | stonken |
| zij | stonken |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gestonken |
| jij | had gestonken |
| hij | had gestonken |
| wij | hadden gestonken |
| jullie | hadden gestonken |
| zij | hadden gestonken |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal stinken |
| jij | zult stinken |
| hij | zal stinken |
| wij | zullen stinken |
| jullie | zullen stinken |
| zij | zullen stinken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gestonken hebben |
| jij | zult gestonken hebben |
| hij | zal gestonken hebben |
| wij | zullen gestonken hebben |
| jullie | zullen gestonken hebben |
| zij | zullen gestonken hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou stinken |
| jij | zou stinken |
| hij | zou stinken |
| wij | zouden stinken |
| jullie | zouden stinken |
| zij | zouden stinken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gestonken hebben |
| jij | zou gestonken hebben |
| hij | zou gestonken hebben |
| wij | zouden gestonken hebben |
| jullie | zouden gestonken hebben |
| zij | zouden gestonken hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'stinken'
aanbinden,
aandringen,
aandrinken,
aaneenbinden,
aaneenklinken,
aanklinken,
aanwinden,
afbinden,
afdingen,
afdringen,
afdrinken,
afdwingen,
afspringen,
bedwingen,
bevinden,
binden,
blinken,
dingen,
dringen,
drinken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'stinken'
slinken,
stikken,
blinken,
drinken,
flinken,
hinken,
klinken,
slikken,
snikken,
spinnen,
Translations
hum, to smell bad
reek, to have or give off a strong, unpleasant smell
smell, to have a particular smell, whether good or bad; if descriptive, followed by "like" or "of"
stink, have a strong bad smell
stink, give an impression of dishonesty or untruth
Sample Sentences
-
[...] niet. Ik bevond mij nu in de allerbevalligste grot, die men bedenken kon, schoon het er geheel duister was; de grond was droog en effen, en er lag eene soort van keizelzand op, zoodat er geenerlei stinkend of venijnig gedierte, noch eenige vochtigheid aan de wanden te bespeuren was. De ingang alleen was wat moeijelijk, hetgeen mij echter een voordeel toescheen, daar het juist zulk eene veilige [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch stinken, from Old Dutch stincan, from Proto-West Germanic *stinkwan, from Proto-Germanic *stinkwaną. See: Middle Dutch '
stinken', Proto-Germanic '
*stinkwaną'.
Verbs referencing "stinken"
English
stink, German, old spelling
stinken, Low Saxon stinken, Sranan
tingi.
Additional Information